Tijdsbesteding / Specifieke thema's / Mobiliteit / Ander onderzoek

Ander onderzoek naar mobiliteit

Op basis van het Tijdsbestedingsonderzoek (TBO) kan worden nagegaan dat Nederlanders van 12 jaar en ouder gemiddeld 17 keer per week een verplaatsing maken en daarvoor ruim 9 uur onderweg zijn.
Het TBO is echter niet de enige bron die informatie biedt over de mobiliteit van Nederlanders.

OVG en MON
Van 1978 tot 2004 is de mobiliteit van de Nederlandse bevolking elk jaar in kaart gebracht middels het Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vanaf 2004 wordt dit onderzoek uitgevoerd door Rijkswaterstaat Adviesdienst Verkeer en Vervoer (RWS-AVV) en heet het Mobiliteitsonderzoek Nederland (MON).

Trends op 1 lijn
De resultaten uit het OVG en het MON kunnen worden vergeleken met de trends uit het Tijdsbestedingsonderzoek (voor eerder vergelijkend onderzoek: zie Mobiel in de tijd).

Aantallen verplaatsingen en reisduur
Zowel in het TBO als in het OVG/MON zijn de aantallen verplaatsingen per persoon (respectievelijk per week en per dag) tussen 2000 en 2005 gelijk gebleven. De in het TBO geconstateerde stijging van de reistijden is in het OVG/MON evenwel niet zichtbaar: volgens deze onderzoeken besteedt de gemiddelde Nederlander al jaren iets meer dan één uur per dag aan mobiliteit, waarbij ruim 30 kilometer wordt overbrugd.

Mobiliteit naar vervoerwijzen
Volgens het TBO waren Nederlanders in 2005 ten opzichte van 2000 vaker onderweg per fiets en openbaar vervoer en minder vaak per auto. Waarschijnlijk is dit deels te verklaren door het goede weer in de onderzoeksperiode van 2005 en het verhoudingsgewijs slechte weer tijdens de onderzoeksperiode van 2000. Dat dergelijke weersinvloeden een rol spelen wordt bevestigd door de resultaten van het OVG/MON: hierin is er tussen 2000 en 2005 geen sprake van veranderingen: zowel het aandeel van de auto, als ook van fiets en openbaar vervoer bleven in die periode op een gelijk niveau.

Vrije tijd, woon-werk en huishouden
In het TBO lijkt er tussen 2000 en 2005 vooral sprake van een stijging van de mobiliteit ten behoeve van vrije tijd. Ook in het OVG/MON is het aandeel van de vrije tijd in de mobiliteit tussen 2000 en 2005 gestegen, namelijk van 34% naar 38%. Bij nader inzien is dit echter geheel te wijten aan een veranderde definitie, waarbij sinds 2004 een deel van de voorheen als ‘overig’ gekwalificeerde verplaatsingen tot de vrije tijd is gerekend. Als hiervoor wordt gecorrigeerd, hebben zich tussen 2000 en 2005 nauwelijks veranderingen voorgedaan in mobiliteitsmotieven.

Onbekend is nog in welke mate de geconstateerde veranderingen (mede) veroorzaakt werden door de betere weersomstandigheden in 2005 dan in 2000.

Meer informatie over mobiliteit
Onderzoek Verplaatsingsgedrag
Mobiliteitsonderzoek Nederland
tijd voor mobiliteit
definitie van mobiliteit
mobiliteit naar persoonskenmerken
mobiliteit naar motieven
mobiliteit naar vervoerwijzen
literatuur over mobiliteit