Tijdsbesteding / Hoe lang en hoe vaak / Vrije tijd / Media / Televisie en beelddragers / Meetmethoden

Meetmethoden

Daalt de televisiekijktijd wel echt?

Uiteenlopende uitkomsten
Of de televisiekijktijd daalt of niet, is afhankelijk van hoe het wordt gemeten. Het Tijdsbestedingsonderzoek liet zien dat de kijktijd in 2000 voor het eerst niet was gestegen maar gelijk was gebleven aan die in 1995. In 2005 is er echter van een aanzienlijke daling van 12,4 uur naar 10,8 uur per week.
In het onderzoek van de Stichting Kijkonderzoek [http://www.kijkonderzoek.nl/], waar de kijkcijfers vandaan komen, is de televisiekijktijd sinds 2000 nog flink gestegen van 162 naar 195 minuten per dag. Omgerekend naar uren per week is dat een stijging van 19,0 naar 22,8 uur per week.
Niet alleen komen de onderzoeken tot een andere conclusie over de ontwikkeling in het televisiekijken. Daarbovenop registreert het kijkonderzoek voor 2005 meer dan twee keer zoveel kijktijd als het Tijdsbestedingsonderzoek. Hoe is dat te verklaren?

Verschillende meetmethoden
Een eerste verklaring vormen de verschillende methoden waarmee televisiekijken wordt gemeten: het tijdsbestedingsdagboek en de kijkmeter.
In het Tijdsbestedingsonderzoek vullen mensen een dagboek in voor zeven achtereenvolgende dagen, de gehele 24 uur. Zij registreren per kwartier de belangrijkste activiteit ('hoofdactiviteit') die zij hebben ondernomen. Hun wordt ook gevraagd te registreren of zij in dat kwartier nog andere dingen hebben gedaan, zoals radio luisteren, lezen of televisiekijken (een 'nevenactiviteit'). De rapportage van de gegevens beperkt zich meestal tot het televisiekijken als hoofdactiviteit. Dit heeft meerdere redenen:
· omdat bij de hoofdactiviteiten de bovengrens ligt op 24 uur per dag, worden veranderingen in wat mensen zien als hun belangrijkste tijdsbesteding zichtbaar. Voor de interpretatie van de belangrijkheid van de verschillende dagelijkse bezigheden is het hanteren van die bovengrens noodzakelijk, ook al leidt het bij bezigheden als televisiekijken en radio luisteren tot een onderschatting van de totale tijdsbesteding (als hoofd- en nevenactiviteit samen);
· respondenten verschillen nogal in de nauwkeurigheid waarmee ze hun nevenactiviteiten bijhouden. Sommigen doen het heel nauwgezet, anderen juist niet. Aangezien die nauwkeurigheid kan samenhangen met relevante kenmerken als leeftijd en opleidingsniveau, kleeft er een gevaar aan het rapporteren van de nevenbezigheden;
· bovendien neemt de nauwkeurigheid in het rapporteren van nevenbezigheden over de gehele linie door de jaren heen af. Zeker weten doen we dat niet (mensen zijn uiteraard niet 'verplicht' om nevenbezigheden te rapporteren, en het zou ook kunnen zijn dat men steeds minder dingen tegelijk doet), maar de algemeen heersende indruk is juist dat mensen meer dingen tegelijkertijd zijn gaan doen.

De kijkmeter (zie de site van de Stichting Kijkonderzoek, klik op 'Methodologie') is een kastje dat is aangesloten op de tv en de beschikbare randapparatuur (video, dvd) van zo'n 1250 huishoudens in Nederland. Het registreert of de tv, video en/of dvd aanstaan en zo ja, wat er wordt gekeken. Met een afstandsbediening geven de leden van het huishouden aan of zij zitten te kijken. Ook voor gasten is er een aparte knop om hun kijkgedrag te registreren. Eens per dag (in de nacht) worden de kijkmeters via de telefoonlijn automatisch uitgelezen door een centrale computer. Zo kunnen de kijkcijfers al de volgende dag worden gerapporteerd.

Welke methode is nu beter?
Aan welke methode je de voorkeur moet geven, hangt af van wat je wilt weten. Op een groot aantal punten scoort de kijkmeter beter dan het dagboek. Vooropgesteld dat respondenten hun kijkgedrag netjes aan- en afmelden bij de kijkmeter, is de registratie waarnaar ze kijken veel preciezer (tot op de seconde nauwkeurig). Daarnaast meet de kijkmeter het kijkgedrag continu en het hele jaar rond, terwijl het tijdsbestedingsdagboek eens in de vijf jaar in een week in oktober wordt ingevuld. De kijkmeter geeft zo kijkdichtheden per zender en programma die het tijdsbestedingdagboek gewoon niet kan leveren.
Het dagboek heeft echter als voordeel dat in de registratie van de tijdsbesteding de nadruk niet ligt (zoals bij de kijkmeter) op het televisiekijken alleen. Dit voorkomt 'reactiviteitseffecten': het verschijnsel dat mensen anders gaan televisiekijken dan ze normaal zouden doen, omdat ze weten dat onderzoekers hun kijkgedrag observeren. Overigens blijken mensen vrij snel aan dit idee gewend te raken, zodat na enkele dagen hun gedrag weer normaal wordt.
Het belangrijkste voordeel van de dagboekmethode is dat veranderingen in de kijktijd kunnen worden geïnterpreteerd door te kijken naar de andere dingen die mensen doen. Het kijkmeteronderzoek laat niet zien ten koste van welke activiteiten de stijging in kijktijd is gegaan. De dagboekmethode maakt dit wel zichtbaar. Zo blijken jongeren tussen 2000 en 2005 veel meer te zijn gaan internetten. Het is vooralsnog onduidelijk waarom dit in de cijfers van het kijkmeteronderzoek niet zichtbaar wordt.

Daalt de kijktijd nu werkelijk of stijgt ze nog?
In onderstaande tabel zijn de uitkomsten van beide onderzoeken tegen elkaar afgezet voor de periode vanaf 1990. De meetmethoden geven duidelijk verschillende trends aan. In het dagboek wordt de top bereikt in 1995/2000 en is er daarna een daling. Of er alleen wordt gelet op tv als hoofdactiviteit of ook als nevenactiviteit, maakt daarvoor niet uit. Het kijkonderzoek laat een continue stijging zien sinds 1990. Daarbij maakt het niet uit of je naar het hele jaar of alleen naar de maand oktober (vergelijkbaar met de meetperiode van het dagboekonderzoek) kijkt.

Tijdsbesteding aan televisiekijken volgens verschillende meetmethoden en definities (in uren per week), 1990-2005 (in uren per week)

meetmethodedefinitie, periodeleeftijdsgroep1990199520002005
dagboekhoofdactiviteit, oktober12 jaar en ouder12,012,412,410,8Tijdsbestedingsonderzoek
dagboekhoofd- en nevenactiviteit, oktober12 jaar en ouder15,416,916,114,0
kijkmeterhele jaar6 jaar en ouder14,017,619,022,8Kijkonderzoek
kijkmeteroktober6 jaar en ouder15,118,319,823,0

Bronnen: SCP (TBO); Stichting Kijkonderzoek (2006) SCP-bewerking

De verklaring van het verschil is waarschijnlijk gelegen in het toenemende gebruik van de televisie als 'begeleidingsmedium': de tv staat wel aan, maar men kijkt maar half en is ook met andere dingen bezig. Dit zogenaamde 'multitasken' lijkt vooral bij tieners en jongvolwassenen in opkomst, al zijn daarover geen goede cijfers beschikbaar: het is een zeer lastig te meten verschijnsel. In het kijkmeteronderzoek wordt aan mensen gevraagd ook dit halve kijken als kijken te registreren. In het Tijdsbestedingsonderzoek is dit ook het geval, maar zoals gezegd gaat de kwaliteit van de gegevens op dit punt achteruit en beperken we ons in de rapportage doorgaans tot de hoofdbezigheid. Zoals gezegd kan de daling in het televisiekijken goed worden geïnterpreteerd door te kijken naar de gelijktijdige stijging van het internetgebruik, met name onder de jongere leeftijdsgroepen. Kennelijk gaat hun aandacht - ook als men met internet en tv gelijktijdig bezig is - meer uit naar het computerscherm dan de beeldbuis.

Speelt leeftijd een rol?
Een ander verschil is de leeftijdsgroep: de kijkmeter-rapportages geven de kijktijd weer voor alle mensen vanaf 6 jaar, het tijdsbestedingsonderzoek vanaf 12 jaar. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het verschil tussen beide metingen aan de groep van 6 t/m 11 jaar kan worden toegeschreven. Over het algemeen kijkt deze groep minder tv dan gemiddeld, en zou de kijkmeter dus eerder lagere dan hogere cijfers moeten geven.

Meer informatie
Tijdsbesteding aan media en ict
Opzet van het Tijdsbestedingsonderzoek
Stichting Kijkonderzoek (SKO)